Je gaat het pas zien …

Door Henk Oostdam ~ 15 juni 2011. Opgeslagen onder: Inkomstenbelasting, Opmerkelijk Nieuws, Vennootschapsbelasting.

als je weet waar het over gaat! Het Register Belastingadviseurs heeft zich recent geen voorstander betoond van een verhoging van het griffierecht naar een kostendekkend niveau. De belangrijkste reden doorvoor is de belemmering van de toegang tot de rechter. Een van de andere argumenten was dat onduidelijkheden in de wet niet ten laste van de burger mag worden uitgevochten. Alsof hij voorspellende gaven heeft blijkt Advocaat Generaal bij de Hoge Raad Wattel op 17 maart jl een conclusie geschreven in een onderhanden zaak waarbij concreet spake is van onduidelijke wetgeving. In het op 3 juni in de literatuur gepubliceerde stuk haalt de AG en passant nog een aantal zaken aan waarin ook van onduidelijkheid sprake was. De zaken zijn typische voorbeelden van onduidelijkheden en onzekerheden waar belastingplichtigen in het huidige wetgevende/parlementaire klimaat mee te maken hebben. In een complexe maatschappij moet je zaken zorgvuldig op schrijven en zorgvuldig duiden wat je nu bedoeld. Het helpt daarbij niet om de wet maar te versimpelen, dat laat te veel vragen open.

Om u een idee te geven waar het over ging hierbij een korte weergave uit een van de vele commentaren n.a.v. de conclusie:

Tot slot
De conclusie bevat nog een interessante passage die de wetgever zich wat ons betreft mag aantrekken. A-G Wattel schrijft namelijk letterlijk in onderdeel 6.5 (met weglating van de voetnoten): “Het gaat hier dus opnieuw om gebrekkige formulering van de wet: opnieuw wijkt de tekst af van de bedoeling van de (mede)wetgever (de “bedrijfswaarde” wordt betrokken op “schulden”, hoewel volgens de parlementaire stukken de corresponderende “vorderingen” zijn bedoeld), althans is de bedoeling niet erg helder verwoord (de civielrechtelijk onbepaalde term “liquidatie” is gebruikt waar kennelijk “vereffening” of “ontbinding als gevolg van insolventie of opheffing” bedoeld is). Al eerder merkte ik (A-G Wattel, red.) op dat discrepanties tussen de tekst en de bedoeling in de Wet Vpb. steeds vaker voor lijken te komen, vermoedelijk als gevolg van casuïstische wetgeving.” In voetnoot 9 noemt A-G Wattel vervolgens een aantal arresten waaruit dit blijkt:

  • HR 13 november 2009, nr. 08/01904, BNB 2010/24, V-N 2009/58.17 (spanning tussen tekst en strekking bij het begrip ’eigen vermogen’ in de concerntoets van de onderkapitalisatieregeling ex art. 10d Wet VPB 1969 bij een geconsolideerd minderheidsbelang van derden),
  • HR 2 oktober 2009, nr. 08/02051, BNB 2010/7, V-N 2009/ 48.12 (naar de bedoeling van de wetgever zou een bepaald geval onder een wettelijke term (’afgewaardeerd’ in art. 13b Wet VPB 1969) moeten vallen, maar tekstueel viel het daar niet onder),
  • HR 4 juni 2010, nr. 08/01549, BNB 2010/236, V-N 2010/27.12 (opnieuw bedoelde de wetgever vermoedelijk dat een bepaald geval onder een wettelijke term zou vallen (’vervreemding’ in art. 13ca lid 4 Wet VPB 1969), maar tekstueel viel het geval daar niet onder (ontvoeging: verlating van het vermogen van de eenheid)).

Het betreffen allemaal voorbeelden uit de Wet VPB 1969 maar het ligt niet voor de hand dat het zich beperkt tot deze wet.Ook in andere belastingwetten zal het voorkomen dat wettekst en bedoeling van de wet elkaar niet altijd dekken. Laten wij hopen dat de wetgever zich dit aantrekt en zijn wetteksten voortaan zorgvuldiger in lijn met de bedoeling ervan formuleert en laten wij hopen dat de Hoge Raad een handje helpt door belastingplichtigen het voordeel van de twijfel te geven. Wellicht dat de wetgever haar voorstellen dan wel wat zorgvuldiger op schrijft.

Laat een reactie achter