Uitspraak Europees Hof Van Justitie wordt ruimer gehonoreerd

Door Henk Oostdam ~ 30 maart 2011. Opgeslagen onder: Formeel belastingrecht, Omzetbelasting, Opmerkelijk Nieuws.

Schier oneindig geduld als nog beloond met forse teruggaven omzetbelasting over de jaren 1992-1995.

Het arrest Van den Hout – Van Eijnsbergen heeft in BTW-land voor de nodige beroering gezorgd. Procederend fiscalist Kouwenhoven stelde zich namens belanghebbenden op het standpunt dat het niet gaat om de kwalificatie van de persoon maar om de kwalificatie van de dienst die wordt verricht en kreeg daarin in 2006 gelijk van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJ EG, 27 april 2006 C-444/04).

Van den Hout-Van Eijnsbergen was als psychotherapeut actief en als zodanig ook erkend door de beroepsvereniging maar miste een opleiding als medicus of psycholoog. De belastingdienst onthield haar en een fors aantal collega’s om die reden de vrijstelling voor medische diensten. Nu was Van den Hout – Van Eijnsbergen niet de eerste psychotherapeut die in deze kwestie procedeerde. Op 8 september 1999 deed de Hoge Raad uitspraak in een aantal zaken waaronder HR nr 34.777 . De Hoge Raad besliste in die kwestie dat nu de persoon niet de hoedanigheid van psycholoog had hem/haar terecht de vrijstelling was onthouden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat niet adequaat was aangetoond dat bij een meerderheid van de niet als psycholoog kwalificerende leden van de NVVP niet was nageheven. De niet als medicus kwalificerende leden van de NVVP waren terecht bang voor eventuele consequenties bij opname op een lijst van mensen waarbij niet was nageheven.

Het expliciete beroep van Kouwenhoven op de 6e BTW richtlijn en de kwalificatie van de dienst als een verrichting in het kader van ‘de gezondheidkundige verzorging van de mens’ werd in het arrest Van den Hout – Van Eijnsbergen door een weifelende Hoge Raad in een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie te Luxemburg. Het Hof concludeerde dat het gaat om de kwalificatie van de verrichte dienst en niet om de kwalificaties van de dienstverrichter. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie werd de zaak Van den Hout – Van Einsbergen zonder nadere bemoeienis van de Hoge Raad afgewikkeld.

In de zaken van 8 september 1999, waarin door de Hoge Raad al eerder was beschikt, werd met een beroep op het arrest Kuhne & Heitz  alsnog de ten onrechte nageheven omzetbelasting aan belanghebbenden terugbetaald. Naast de drie zaken waarin door de Hoge Raad is beslist, liepen onder de leden van de NVVP nog een kleine 40 zaken in diverse procedurele stadia. Al deze zaken werden destijds onofficieel aangehouden tot door de Hoge Raad op 8 september 1999 werd beslist. Op de zaak Van den Hout – Van Eijnsbergen en een tweetal anderen na, hebben de leden van de NVVP berust in de uitspraak van de Hoge Raad en zijn hun procedures, op initiatief van de inspecteurs, afgebroken. Deze inspecteurs zagen na afloop van de procedure Van den Hout – Van Eijnsbergen geen reden om op grond van het Kuhne & Heitz arrest ook aan de overige leden van de NVVP de, ten onrechte nageheven, belasting terug te betalen. Men had immers niet tot in hoogste (nationale) instantie doorgeprocedeerd, een van de voorwaarden om met succes een beroep op het arrest Kuhne & Heitz te kunnen doen.

Op advies van Holland Tax Consult is in deze kwestie de Staatssecretaris van Financiën benaderd. Na lang aarzelen en het feitelijk aantonen door de verzoekers dat sprake was van een onofficiële proefprocedure is het Ministerie overstag gegaan. Men heeft aangegeven mee te gaan in het verzoek om teruggaaf van de in de jaren 1992-1995 ten onrechte nageheven omzetbelasting bij de psychotherapeuten die op grond van de Hoge Raad uitspraak hebben berust in hun bezwaar-, beroep- of hoger beroepsprocedure. Deze toezegging van de Staatssecretaris zien wij als rechtvaardig besluit en passend in deze situatie. Het toont tevens aan dat het loont om vast te houden in een rechtvaardige zaak.

Laat een reactie achter